ColorConsole [Version 1.3.3000]
Microsoft Windows XP [Version 5.1.2600]
(C) Copyright 1985-2001 Microsoft Corp.

C:\WINDOWS>HELP RMDIR
Een map verwijderen.

RMDIR [/S] [/Q] [station:]pad
RD [/S] [/Q] [station:]pad

/S Verwijdert naast alle mappen en bestanden in de opgegeven
map ook de map zelf. Deze schakeloptie wordt gebruikt
voor het verwijderen van een mapstructuur.

/Q Stille modus, niet om bevestiging vragen bij het
verwijderen van
mapstructuur met /S



C:\WINDOWS>HELP SET
CMD.EXE omgevingsvariabelen instellen, verwijderen of weergeven.

SET [variabele=[tekenreeks]]

variabele De naam van de omgevingsvariabele.
tekenreeks Een reeks tekens die u aan de variabele wilt
toewijzen.

SET zonder parameters geeft de huidige omgevingsvariabelen weer.

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert de opdracht
SET
als volgt:

Als de opdracht SET wordt aangeroepen met alleen een variabele-
naam,
zal deze de waarde weergeven van alle variabelen waarvan het
voorvoegsel
overeenkomt met de naam die is gegeven aan de opdracht SET.
Bijvoorbeeld:

SET P

geeft alle variabelen weer die beginnen met de letter P.

De opdracht SET stelt het ERRORLEVEL in op 1 als de variabele-
naam
niet wordt gevonden in de actieve omgeving.

Als u de opdracht SET gebruikt, kunt u een is-gelijkteken (=)
niet
gebruiken in de naam van een variabele.

Twee nieuwe schakelopties zijn toegevoegd aan de opdracht SET:

SET /A expressie
SET /P variabele=[promptString]

Schakeloptie /A bepaalt dat de tekenreeks rechts van het is-
gelijkteken een
numerieke expressie is die wordt geëvalueerd. De expressie-
evaluator is
vrij eenvoudig en ondersteunt de volgende bewerkingen, in
aflopende volgorde
van voorrang:

() - groepering
* / % - rekenkundige operators
+ - - rekenkundige operators
<< >> - logische verschuiving
& - And per bit
^ - Uitsluitende Or per bit
| - Or per bit
= *= /= %= += -= - toewijzing
&= ^= |= <<= >>=
, - expressie-scheidingsteken

Als u een van de logische of modulus-operators gebruikt, dient u
de
expressietekenreeks tussen aanhalingstekens te zetten. Alle niet-
numerieke
tekenreeksen in de expressie worden behandeld als
omgevingsvariabele-namen
waarvan de waarden worden omgezet naar nummers voordat ze worden
gebruikt.
Als een omgevingsvariabele-naam is opgegeven, maar niet in de
actieve
omgeving is gedefinieerd, wordt de waarde nul gebruikt. Hierdoor
kunt u
rekenen met omgevingsvariabele-waarden zonder alle %-tekens te
hoeven
typen om de waarden op te halen. Als /A wordt uitgevoerd vanaf de
opdrachtregel buiten het opdrachtscript om, wordt de laatste
waarde van
de expressie weergegeven. De toewijzingsoperator vereist een
omgevingsvariabele-naam links van de toewijzingsoperator.
Numerieke
waarden zijn decimale getallen, tenzij ze worden voorafgegaan
door 0x voor
hexadecimale getallen en 0 voor octale getallen. Dus 0x12 is
hetzelfde als
18 of 022. Opmerking: de octale notatie kan verwarrend zijn: 08
en 09 zijn
geen geldige getallen omdat 8 en 9 geen geldige octale cijfers
zijn.

De schakeloptie /P biedt u de mogelijkheid om de waarde van een
variabele
in te stellen op een regel van opgegeven invoer door de
gebruiker. De
opgegeven promptString wordt weergegeven voordat de invoerregel
wordt
gelezen. De promptString kan leeg zijn.

Vervanging van omgevingsvariabelen is als volgt verbeterd:

%PATH:str1=str2%

zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden, waarbij elke 'str1' in
het
uitgebreide resultaat wordt vervangen door 'str2'. 'Str2' kan een
lege
tekenreeks zijn om alle voorkomende 'str1'-tekenreeksen te
verwijderen uit
de uitgebreide uitvoer. 'str1' kan beginnen met een sterretje,
zodat deze
tekenreeks overeenkomt met alles vanaf het begin van de
uitgebreide uitvoer
tot de eerste keer dat het resterende gedeelte van str1 voorkomt.

U kunt ook subtekenreeksen opgeven voor een uitbreiding.

%PATH:~10,5%

zal de omgevingsvariabele PATH uitbreiden en dan alleen de eerste
5
tekens gebruiken die beginnen op het elfde teken (offset 10) van
het
uitgebreide resultaat. Als de lengte niet wordt opgegeven, wordt
de
rest van de variabele-waarde als standaard gebruikt. Als een van
de
cijfers (offset of lengte) negatief is, is het nummer dat wordt
gebruikt
de lengte van de waarde van de omgevingsvariabele, toegevoegd aan
de
opgegeven offset of lengte.

%PATH:~-10%

zal de laatste 10 tekens van de variabele PATH ophalen.

%PATH:~0,-2%

zal alles behalve de laatste twee tekens van de variabele PATH
ophalen.

Ten slotte is ondersteuning voor vertraagde uitbreiding van
omgevingsvariabele toegevoegd. Ondersteuning hiervoor is
standaard
altijd uitgeschakeld, maar kan worden ingeschakeld/uitgeschakeld
via
opdrachtregelparameter /V bij CMD.EXE. Zie hiervoor CMD /?

Vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele is handig voor het
omzeilen
van beperkingen van de huidige uitbreiding die optreedt als een
regel
tekst wordt gelezen, en niet als deze regel wordt uitgevoerd. Het
volgende
voorbeeld geeft het probleem met directe variabele-uitbreiding
weer:

set VAR=ervoor
if "%VAR%" == "ervoor" (
set VAR=erna;
if "%VAR%" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
)

Bovenstaand voorbeeld zal het bericht nooit laten zien omdat
%VAR% in
BEIDE IF-opdrachten wordt vervangen als de eerste IF-opdracht
wordt gelezen,
omdat deze logisch gezien de inhoud van de IF insluit, wat een
samengestelde
opdracht is. Dus de IF binnen de samengestelde opdracht
vergelijkt in
werkelijkheid 'voorheen' met 'erna', wat nooit gelijk zal zijn.
Ook het
volgende voorbeeld zal niet als verwacht werken:

set LIST=
for %i in (*) do set LIST=%LIST% %i
echo %LIST%

Hiermee wordt GEEN lijst met bestanden in de actieve map
samengesteld,
maar wordt alleen de variabele LIST ingesteld op het laatste
gevonden
bestand. Ook hier komt dat omdat de %LIST% slechts één keer wordt
uitgebreid als de FOR-opdracht wordt gelezen, en op dat moment is
de
variabele LIST leeg. Dus de eigenlijke FOR-lus die wordt
uitgevoerd, is:

for %i in (*) do set LIST= %i

waarmee alleen LIST wordt ingesteld op het laatste gevonden
bestand.

Met vertraagde uitbreiding van omgevingsvariabele kunt u een
ander
teken (het uitroepteken) gebruiken om omgevingsvariabelen uit te
breiden
tijdens uitvoering. Als vertraagde uitbreiding van variabelen is
ingeschakeld, kunnen bovenstaande voorbeelden als volgt worden
herschreven
om te werken zoals bedoeld:

set VAR=ervoor
if "%VAR%" == "ervoor" (
set VAR=erna
if "!VAR!" == "erna" @echo Het werkt als u dit ziet
)

set LIST=
for %i in (*) do set LIST=!LIST! %i
echo %LIST%

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, zijn er verschillende
dynamische omgevingsvariabelen die kunnen worden uitgebreid maar
die
niet voorkomen in de lijst met variabelen, zoals weergegeven
door SET. Deze variabele-waarden worden elke keer dynamisch
berekend
als de variabele wordt uitgebreid. Als de gebruiker expliciet een
variabele definieert met een van deze namen, zal die definitie de
onderstaande dynamische variabelen negeren:

%CD% - uitbreiden naar de actieve maptekenreeks.

%DATE% - uitbreiden naar huidige datum met dezelfde indeling als
de opdracht
DATE.

%TIME% - uitbreiden naar huidige tijd met dezelfde indeling als
de opdracht
TIME.

%RANDOM% - uitbreiden naar een willekeurig decimaal getal tussen
0 en 32767.

%ERRORLEVEL% - uitbreiden naar de actieve ERRORLEVEL-waarde.

%CMDEXTVERSION% - uitbreiden naar het actieve versienummer van
opdracht-
processorextensies.

%CMDCMDLINE% - uitbreiden naar de oorspronkelijke opdrachtregel
die de
Opdrachtprocessor heeft aangeroepen.



C:\WINDOWS>HELP SETLOCAL
Begint lokalisatie van omgevingswijzigingen in een batchbestand.
Omgevingswijzigingen die zijn gemaakt nadat SETLOCAL is
uitgegeven, zijn
alleen geldig binnen het batchbestand. Als het einde van een
batchscript
is bereikt, wordt een ENDLOCAL uitgevoerd voor alle resterende
SETLOCAL-
opdrachten die zijn uitgegeven door het batchscript.

SETLOCAL

Als opdrachtextensies zijn ingeschakeld, verandert SETLOCAL als
volgt:

Batchopdracht SETLOCAL accepteert nu optionele argumenten:
ENABLEEXTENSIONS / DISABLEEXTENSIONS
schakelt opdrachtprocessorextensies in of uit. Typ
CMD /? voor details.
ENABLEDELAYEDEXPANSION / DISABLEDELAYEDEXPANSION
schakelt vertraagde uitbreiding van
omgevingsvariabele
in of uit. Typ SET /? voor details.
Deze wijzigingen blijven van toepassing tot de overeenkomende
opdracht
ENDLOCAL, ongeacht de instelling ervan vóór de opdracht SETLOCAL.

Opdracht SETLOCAL zal de waarde ERRORLEVEL instellen als hieraan
een
argument is gegeven. Het zal nul zijn als een van de twee geldige
argumenten
is gegeven en één indien dit niet het geval is. U kunt dit in
batchscripts
gebruiken om te bepalen of de extensies beschikbaar zijn, via de
volgende
methode:

VERIFY OTHER 2>nul
SETLOCAL ENABLEEXTENSIONS
IF ERRORLEVEL 1 echo Kan extensies niet inschakelen

Dit zal werken omdat SETLOCAL bij oude versies van CMD.EXE de
waarde
ERRORLEVEL NIET instelt. De opdracht VERIFY met een ongeldig
argument
initialiseert de waarde ERRORLEVEL op een waarde niet-nul.




GOTO : HELP SHIFT


 


... Home  
... Impressum
... ColorConsole

... CMD
... Netsh-XP
... Netsh-7
... Netsh-Vista
... Powershell









Download the Windows 7 Starter, Home (Basic Premium), Professional und Ultimate!

... facebook.de
0.046
Button für Neue Tab, alle Tabs bis auf aktuelles Schließen, alle Tabs Schließen und aktuelles Tab Schließen?  / Wie kann ich in Windows 7 die Bildschirmfrequenz einstellen/ändern?  / Show My-Computer and Control Panel on Desktop in Windows 10?  / How can i portable files are opened using programs from that same location?  / Hilfe, meine Programme werden von Windows geschlossen?  / Download Packprogramme fürs Komprimieren, Entkomprimieren, Dekomprimieren!  / Where is the Quick Launch for the Windows 10 Taskbar, how to enable?  / Ändern des Start-Verzeichnisses im Windows 10 MS-Explorer (Arbeitsplatz, Computer)!  / Was bedeutet maximale Anzahl der Anfragen in TraceRouteOK?  / Windows-7 Autoupdate hängt, kein Upgrade möglich, hilfe?  / Wie verwende ich die internen Datei-Assoziationsregeln?  / Download Visual Studio 2013!  /